Hoe koloniale erfenis en moderne regels voedseluitwisseling tussen Caribische eilanden remmen
In dit artikel:
Maurice Adriaens van LVV Bonaire en Kimani Kitson‑Walters van Sint Eustatius schetsen een gedeeld probleem en een gezamenlijke ambitie: de zes eilanden van de Dutch Caribbean — Bonaire, Aruba, Curaçao, Sint Eustatius, Sint Maarten en Saba — willen hun voedselproductie versterken en minder afhankelijk worden van kostbare import. Drie jaar geleden begonnen die eilanden DC ALFA (Dutch Caribbean Agriculture, Livestock and Fisheries Alliance) om kennis te delen, lokale productie op te schalen en handel binnen de regio te vergemakkelijken.
Praktisch werk binnen DC ALFA levert al tastbare resultaten op: Aruba stuurde een veespecialist naar Bonaire voor trainingen, Bonaire hielp Statia met nieuwe landbouwplannen, en geiten werden goedkoop tussen eilanden verplaatst (transport uit Aruba kostte slechts honderden dollars tegenover duizenden uit Nederland). Zulke initiatieven tonen dat samenwerking geld kan besparen en dierenwelzijn kan verbeteren.
Toch blijven er grote obstakels. Elk eiland hanteert eigen importregels en inspecties, waardoor uitwisseling bureaucratisch en duur wordt. Logistiek is een knelpunt: gekoelde scheepvaart is beperkt — er vaart maar één koelboot en die meert aan de Franse kant van Sint‑Maarten, waardoor Nederlandse havens geen koelketen hebben. Op Statia is productie nog te klein en onregelmatig om structurele export mogelijk te maken; daarom worden nu investeringen gedaan in waterputten, regenwateropslag, machines en een agroverwerkingsfaciliteit om een stabiel aanbod op te bouwen.
Historische oorzaken verklaren deels de huidige kwetsbaarheid. Statia was in de 18e eeuw een regionale voedselproducent, maar militaire aanvallen en koloniale economische keuzes wijzigden dat. Koloniale focus op exportgewassen (suiker, tabak) en het verlies van kennis na migratie en economische verschuivingen maakten lokale landbouw minder belangrijk. Op Bonaire, aldus commentator Arthur Sealy, verloor landbouw daardoor prestige en werd het werk geassocieerd met het verleden van slavernij, wat de aantrekkingskracht op jongeren beperkt.
Vooruitkijkend benadrukken betrokkenen twee routes: institutionele samenwerking (harmoniseren van regels, gezamenlijke transportoplossingen — mogelijk eigen veerboten voor boven‑ en benedenwindse eilanden) en technologische innovatie. Methoden zoals hydroponics en aquaponics kunnen jongeren aantrekken omdat ze minder fysieke arbeid en minder blootstelling aan weer vereisen. Kitson‑Walters pleit voor specialisatie per eiland: elk eiland focust op enkele producten en verhandelt die regionaal, zodat de keten robuuster wordt.
Kortom: er is groeiend enthousiasme en concrete uitwisseling binnen DC ALFA, maar succes hangt af van het oplossen van logistieke en regelgevende barrières, investeringen in infrastructuur en het tegengaan van historische en culturele drempels. Alleen met professionele, samenwerkende productie en betere regionale verbindingen kunnen de Caribische eilanden hun voedselzekerheid vergroten.